Gekunsteld

From artvalvas
Jump to navigation Jump to search

Cas Doggen

Op een prachtige, zonovergoten doch koude decemberochtend, zo eentje waar de lucht in de neus en prikt waar je de adem rook wordt, met zijn heldere stralen weerkaatsend op de wolk witte sneeuw, weergalmt het alom bekende lawaai van de oude klokken die geluid worden. Zij verkondigt het aanbreken van het achtste uur van de kersverse dag, de jouwe om te plukken, waarop de trein van de 16de lijn, overvol met passagiers, een aankomst maakt in het al te volle oude station. De bleke, uitgemergelde, ziekelijk geelgroen getinte conducteur blaast met zijn dunne, veel te paarse lippen op het zwak plastiek fluitje en creëert een scherpe, bijna oorverdovende toon die alle aandacht naar zich toe trekt, die hoofden doet draaien en lichamen laat rijzen: de meute op het snelle, met graffiti bespoten vervoersmiddel komt in gehaaste, al dan niet enthousiaste, bewegingen recht en maakt zich een weg door de ándere meute, zij die blijven staan en tot een volgende halte moeten wachten. Een slungelige, ongemakkelijke jongeman in zijn mid-twintig jaren, met een suffe hoed van een goedkope stof (vergezeld met een dun, fragiel koordje in tegenstelling tot en net en elegant lint) staat op zijn veel te grote hoofd dat ondersteund wordt door een overdreven smalle en ietwat vervormde hals, geeft een grove opmerking aan een man. Hij geeft hem het verwijt ruw contact met hem te maken, voor iedere keer dat een andere passagier zijn of haar weg wil banen door het toestel. Hij heeft de intentie bot, en ietwat intimiderend over te komen en zijn stem te verheffen; het komt echter binnen als en zielig geluid, wat medelijden opwekt bijna. Zijn bloeddoorlopen ogen richten zich op een lege plek op een van de grijze, met pluche uitpuilende zetels, en sprint ernaartoe met wanhopige passen. Tijd verstrijkt, misschien een uur of twee, en wederom vangt diezelfde man mijn blik op het rustige Jan Willem Brouwersplein, van niet aanzienlijke wandelafstand van het oude, met vogelbekakte concertgebouw. De jongeman lijkt een moment te delen met een andere, ietwat bredere man, die dichterbij hem komt en hem in de oor fluistert met een amper verstaanbare toon “Het is misschien geen slecht idee, om deze jas wat te versmallen; voeg een extra knoop toe aan de bovenkant,” terwijl hij zijn worstvingers optilt en zachtjes de stof aanraakt op de beduidende plek, en verdere raad geeft over de precieze reden achter deze bemerking.